


De
zeilmaker was een grote afnemer van het touwwerk, dat in de
lijnbanen was geslagen. Hij zorgde voor het splitsen, schiemannen,
en knopen van het touw, dat bovendien in grote lengten werd
gebruikt in de zeilen. Het zeildoek werd in lange banen - de
'kleden' - aaneen genaaid met zeilgaren, net zo lang tot het zeil
in grote trekken gereed was. Dan volgde nog een lange reeks van
bewerkingen, al naar gelang de plaats en functie van het zeil. Het
zeil werd in elk geval rondom van een zoom voorzien, dat werd
verstevigd met touw; het zogenaamde 'lijk'. Hieraan werden lussen
genaaid voor de schoten, waarmee het zeil kon worden gehanteerd. In
de bovenzoom werd een reeks van kleine gaten gemaakt, waarin de
touwen werden geslagen om het zeil aan de ra te bevestigen.
Afhankelijk van het type zeil konden in de breedte nog banden
worden opgenaaid met daarin kleine eindjes touw om het zeil
gedeeltelijk te reven.
De kunst van het zeilmaken was onder meer gelegen in het
verkrijgen van de juiste bolling van het zeil. Dat werd bereikt
door de banen plaatselijk smaller te nemen. Het oog en de
rekenvaardigheid van de meesterzeilmaker waren daarbij zeker van
belang, net als bij het bepalen van de grootte van de zeilen.
Hoe belangrijker een zeil was, hoe zwaarder kwaliteit zeildoek werd
vereist. Midden 19e eeuw onderscheidde men 'zeildoek', 'karldoek'
(onder andere voor marszeilen, bezaans en kluivers), 'linnen' (ook
wel 'everdoek', onder andere voor bramzeilen, kluivers,
sloepzeilen, etc) en 'persenningdoek' (voor dekkleden, etc). Elk
soort doek kende weer verschillende kwaliteiten.
Het Hollands canvas ('canefaes', 'kanefas' of 'Crommenies doek')
was voor de grootste zeilen geschikt en werd in de 17e en 18e eeuw
in rollen van 50 el geleverd (1 el is 68,8 cm). De breedte van de
rol noemde men ook wel 'kleed.' Vlas en katoen leverden in die tijd
al dunner 'klaverdoek' op waarvan kleinere zeilen werden gemaakt.
Voor dat doel werd ook ingevoerd Vlaams lijnwaad en Frans canvas
gebruikt, dat rechtstreeks werd aangevoerd uit de herkomstgebieden.
In de 19e eeuw maakte de hennep steeds meer plaats voor het vaak
machinaal gesponnen vlas.
Behalve zeilen maakte de zeilmaker ook zakken, waterslangen, putsen en andere voorwerpen van zeildoek, die tegen een stootje moesten kunnen. Zeilen die niet meer bruikbaar waren, werden uit elkaar getornd en als 'halfsleet doek' voor van alles benut. Wanneer ook dat was versleten werd zeildoek opgemaakt als schuurlap.
bedrijfstakken: