Zeilmaker: Bedrijven

Familiebedrijven

Schoorsteenstuk met interieur van de zeilmakerij van Joris Willeken in Rotterdam (inventarisnr. 11114)Portret van Joris Willeken (inventarisnr. 10687)Portret van Jan Jorisz. Willeken (inventarisnr. 10686)Blauw katoenen vaandel of banier van de Rotterdamse zeilmakersvereening (inventarisnr. 79057)De zeilmakers vormden een beroepsgroep halverwege de middenstand en de kooplieden, omdat zij enerzijds produceerden en anderzijds op vaak grote schaal inkochten en verkochten. In dat opzicht leken zij sterk op de middeleeuwse drapeniers, die op de stoffenmarkt opereerden. Een aantal van hen steeg in de 17e eeuw sociaal tot in de kringen van de voorname regentengeslachten en stadsbestuurders. De bierbrouwer Jan Dammaszoon Pesser, de koopman Gillis Marinuszoon Groeninx: zij hadden allen ervaring in de zeilmakerijbranche. De VOC-bewindhebber, haringkoopman en reder Hendrik Willemszoon Nobel eveneens, terwijl zijn broer Dirck een teerstoverij had. Ondanks de mogelijkheid tot sociale stijging, verdiende slechts een van de veertien belastingplichtige zeilmakers in 1742 ongeveer fl. 3.000, terwijl de meeste van zijn collega’s tussen de fl. 600 en fl. 1.200 verdienden. Om werkelijk in de elite mee te tellen, moest iemand toch goed zijn voor een jaarinkomen van meer dan fl. 4.000.
Het was in de zeilmakerij – net als in vele bedrijfstakken – niet ongebruikelijk dat de zaak enkele generaties in de familie bleef. Midden 16e eeuw begon bijvoorbeeld Maarten Pietersz in Rotterdam een zeilmakerij, die decennia lang tot in het derde geslacht werd voortgezet en ook via een huwelijk een relatie met de succesvolle familie Groeninx kreeg.
Het museum bezit van de zeilmakersfamilie Willeken sinds 1906 enkele schilderijen: een portret van – wellicht de oprichter – Joris Willeken, nog een van zijn zoon Jan en een zeer interessant interieurstuk dat hun bedrijf voorstelt rond het jaar 1800. Het was gevestigd aan het Fransche Water (hierna St. Laurensstraat genoemd), maar werd later verplaatst naar de Nieuwehaven. Het schilderij toont hoe betrekkelijk bescheiden de zeilmakerijen in omvang konden zijn. In een vrij kleine, maar goed geordende ruimte zijn vier man aan de slag om een zeil te naaien terwijl een vijfde iets uit een kast haalt. Deze onderneming werd eveneens tot zeker in de derde generatie voortgezet, tot zij rond 1900 ophield. De familie Willeken kwam in de 18e eeuw uit Duitsland, maar schoot wortel in Rotterdam. De zeilmakerijen rekruteerden hun werknemers – net als de scheepsbouwers – ook lange tijd vooral lokaal, in tegenstelling tot het vele buitenlandse varensvolk dat met hun producten het zeegat uitzeilde.
Omdat de zeilmakers zich met textiel bezighielden, waren zij ondergebracht in het manufacturiersgilde met onder andere de laken- en linnenwevers. Pas in 1805 organiseerden de zeilmakers zich als afsplitsing van dit gilde. Schippers die hun zeilen elders lieten maken, werden met zware sancties bedreigd, zoals boetes en verbeurdverklaringen. Het zeilmakersgilde was dus op papier vrij machtig. Vanwege de oorlogstoestand in de Franse tijd ondervond het gilde echter veel tegenwind, en al in 1810 vond de laatste vergadering plaats in de Oostpoort. Later in de 19e eeuw vond het gilde opvolging in de Rotterdamse Zeilmakers Vereeniging.

Volgende: Nieuwe activiteiten

Verhaal Bedrijven Voorwerpen Naslag
lijst info

bedrijfstakken:

zoekterm(en):