


Doorgaans
zorgde de scheepsbemanning zelf voor het onderhoud en reparatie van
de zeilen, die aan boord waren. Het zelf snijden van het zeildoek
was echter een ambacht dat de gemiddelde zeeman in de regel niet
beheerste en daarom hadden grotere schepen vaak hun eigen
zeilmakers aan boord. Zij waren meteen verantwoordelijk voor al het
andere textiel, zoals de vlaggen, zonnetenten, enzovoorts. De
meeste zeilmakers woonden echter aan wal en werkten bijvoorbeeld
voor de Admiraliteit, of de VOC. Op de ruime werven van deze
organisaties waren tal van ambachten geconcentreerd, waaronder de
zeilmaker, ankersmid, enzovoorts, al waren activiteiten die veel
plaats vroegen - zoals de touwbanen - daarbuiten gelegen. Wat aan
zeilen niet meteen aan boord werd genomen, lag opgeslagen in de
magazijnen van de Admiraliteit of in het Oostindisch Huis van de
VOC.
In een grote havenstad als Rotterdam was echter voldoende emplooi voor zelfstandige zeilmakers met eigen personeel, die vooral in de Waterstad schenen te zijn gevestigd. Zij concentreerden zich tot in de 17e eeuw rond het Hoofd en de Spaanse Kade. Niet zelden combineerden zij hun nering met de handel in pek en teer, die uit de Oostzee werd aangevoerd ten behoeve van de scheepsbouw. Die voor Holland zo wezenlijke regio leverde toch al veel handelswaren, waarbij de import van zeildoek in de 18e eeuw allengs aan belang won.
Volgende: Familiebedrijven
bedrijfstakken: