


Tot
de komst van de stoommachine hadden de meeste schepen roeiriemen of
zeilen nodig om vooruit te komen. Het op de wind manoeuvreren met
een zeilvaartuig - groot of klein - is een geraffineerde kunst,
waarbij de mogelijkheden van de schipper mede worden bepaald door
de vorm, de plaatsing en de kwaliteit van de zeilen. Zij hadden elk
hun eigen naam, die precies aangaf op welke plaats zij
thuishoorden. Naarmate de zeilschepen in de loop der tijd
evolueerden kwamen er steeds meer typen zeil in omloop.
In het waterrijke Nederland lag het voor de hand dat de
scheepsbouw een bijna onverzadigbare behoefte aan zeildoek had,
zeker toen de welvaart in de 17e eeuw groeide. Eind 19e eeuw was
het echter met de grote zeilvaart vanuit Nederland gedaan. In de
binnenvaart en in de visserij hield het zeilschip nog even stand,
en in de pleziervaart heeft zij nooit afscheid genomen. Nog ver in
de 20e eeuw was het zeil evenmin weg te denken uit het Rotterdamse
stadsbeeld; tot in de kleinste binnenhavens hingen zij van hun
gaffels en ra's te klapperen als ze niet waren ingenomen of
opgeborgen.
Niet alleen de scheepvaart gebruikte zeilen. De meeste windmolens
waren namelijk ook voorzien van zeilen, die op de wieken werden
bevestigd. Door ze al naar gelang de windkracht meer of minder af
te rollen, vingen de wieken zo veel wind dat het maalwerk in
bedrijf kon zijn. In bijna heel Nederland waren waterhuishouding en
industrie volledig afhankelijk van windmolens. Gelet op de
onmisbaarheid van molens en scheepvaart speelde de
zeildoekproductie lange tijd een sleutelrol in de economie van
Nederland.
Volgende: Zeildoek van buiten de stad
bedrijfstakken: