Wagenmaker

Landverbindingen rond Rotterdam

Zilveren hoofdmansschild van het wagenaarsgildeBeschilderd houten tolbord van tol bij molen 'de Graankorrel' aan de MathenesserdijkAlmanak, voor Zuid-Holland, voor het jaar 1839BoerenwagenWagenbord, houten achterkrat van een boerenwagen, met geschilderde bijbelse voorstelling en tekst (Job)Sinds de uitvinding van het wiel tijdens de vroegste landbouwculturen zijn door de mens voertuigen ontwikkeld tot een veelheid en variatie die te groot is om te bevatten. Al naar gelang hun doel, status, regio en functie kwamen er ontelbare typen die door mens of dier in beweging worden gezet, later zelfs op eigen kracht met behulp van een motor.
Helaas is de geschiedenis van het wegtransport te Rotterdam onderbelicht in verhouding tot de aandacht voor de scheepvaart. In de stad zijn voertuigen echter vanaf het begin een vertrouwde verschijning in het straatbeeld. Met de stadsuitbreiding werden het er bovendien steeds meer. Twee belangrijke verkeersaders gaven zelfs hun naam aan het wegvervoer. Ze begonnen beide vanuit de centraal gelegen Hoogstraat. Door de Goudsewagenstraat (oorspronkelijk Oostwagenstraat) reden de wagenaars al sinds de 14e eeuw naar en van Gouda en door de Westewagenstraat leidde het verkeer naar Vlaardingen en Delft. Er kwamen geregelde landverbindingen voor passagiers, de zogenaamde wagenveren, en post. In de jaarlijkse almanak kon de reiziger voor de tocht zijn aansluitingen nazoeken. Bovendien reden wagens per toerbeurt op Dordrecht heen en weer zodra er passagiers waren, maximaal negen in getal. 'Kinderen op de schoot zijn vrij'.
Vanwege de waterrijkdom en bodemgesteldheid viel voor het transport in Holland tijdens de 17e eeuw de eerste keuze op de aanleg van kanalen en trekvaarten en vrijwel niet op verharde wegen, die kostbaar onderhoud vergden. Bovendien kon een trekschuit met slechts één jaagpaard veel meer lading vervoeren dan een wagen of kar. Dat 's winters de waterwegen vaak maandenlang dichtvroren en het transport stilviel nam men op de koop toe. Uitsluitend omdat men het oneens bleef over een trekvaart werden Rotterdam en Gouda eind 17e eeuw door een van de eerste en meteen langste straatwegen in de Republiek verbonden, die grotendeels over de IJsseldijk liep. Een tijdlang was deze beklinkerde route het neusje van de zalm in ons land op het gebied van wegvervoer. Tolheffing dekte de kosten tot de komst van de Rijnspoorlijn in 1855 een veel comfortabeler alternatief bood. Van Schiedam naar Kralingse Veer liep over IJsselmonde vanaf 1780 eveneens een verharde weg. Toch was dit soort verbindingen nog een zeldzaamheid, want veel verkeer naar en van Rotterdam koos bijvoorbeeld de onverharde jaagpaden en kades langs de vaarten. Aan deze en andere uitvalswegen vestigden zich rond de stad tal van bedrijven. Tolhekken vormden bij dit alles een bron van oponthoud en stijgende vrachtkosten, maar pas tussen 1820 en 1860 ontstond een uitgebreider rijkswegennet dat Rotterdam over land snellere, verharde verbindingen gaf. Hierdoor konden bodediensten hun actieradius voor klein vrachtvervoer iets uitbreiden.

Volgende: Een stad vol voertuigen

Verhaal Bedrijven Voorwerpen Naslag
lijst info

bedrijfstakken:

zoekterm(en):