



Sinds
de uitvinding van het wiel tijdens de vroegste landbouwculturen
zijn door de mens voertuigen ontwikkeld tot een veelheid en
variatie die te groot is om te bevatten. Al naar gelang hun doel,
status, regio en functie kwamen er ontelbare typen die door mens of
dier in beweging worden gezet, later zelfs op eigen kracht met
behulp van een motor.
Helaas is de geschiedenis van het wegtransport te Rotterdam
onderbelicht in verhouding tot de aandacht voor de scheepvaart. In
de stad zijn voertuigen echter vanaf het begin een vertrouwde
verschijning in het straatbeeld. Met de stadsuitbreiding werden het
er bovendien steeds meer. Twee belangrijke verkeersaders gaven
zelfs hun naam aan het wegvervoer. Ze begonnen beide vanuit de
centraal gelegen Hoogstraat. Door de Goudsewagenstraat
(oorspronkelijk Oostwagenstraat) reden de wagenaars al sinds de 14e
eeuw naar en van Gouda en door de Westewagenstraat leidde het
verkeer naar Vlaardingen en Delft. Er kwamen geregelde
landverbindingen voor passagiers, de zogenaamde wagenveren, en
post. In de jaarlijkse almanak kon de reiziger voor de tocht zijn
aansluitingen nazoeken. Bovendien reden wagens per toerbeurt op
Dordrecht heen en weer zodra er passagiers waren, maximaal negen in
getal. 'Kinderen op de schoot zijn vrij'.
Vanwege de waterrijkdom en bodemgesteldheid viel voor het transport
in Holland tijdens de 17e eeuw de eerste keuze op de aanleg van
kanalen en trekvaarten en vrijwel niet op verharde wegen, die
kostbaar onderhoud vergden. Bovendien kon een trekschuit met
slechts één jaagpaard veel meer lading vervoeren dan een wagen of
kar. Dat 's winters de waterwegen vaak maandenlang dichtvroren en
het transport stilviel nam men op de koop toe. Uitsluitend omdat
men het oneens bleef over een trekvaart werden Rotterdam en Gouda
eind 17e eeuw door een van de eerste en meteen langste straatwegen
in de Republiek verbonden, die grotendeels over de IJsseldijk liep.
Een tijdlang was deze beklinkerde route het neusje van de zalm in
ons land op het gebied van wegvervoer. Tolheffing dekte de kosten
tot de komst van de Rijnspoorlijn in 1855 een veel comfortabeler
alternatief bood. Van Schiedam naar Kralingse Veer liep over
IJsselmonde vanaf 1780 eveneens een verharde weg. Toch was dit
soort verbindingen nog een zeldzaamheid, want veel verkeer naar en
van Rotterdam koos bijvoorbeeld de onverharde jaagpaden en kades
langs de vaarten. Aan deze en andere uitvalswegen vestigden zich
rond de stad tal van bedrijven. Tolhekken vormden bij dit alles een
bron van oponthoud en stijgende vrachtkosten, maar pas tussen 1820
en 1860 ontstond een uitgebreider rijkswegennet dat Rotterdam over
land snellere, verharde verbindingen gaf. Hierdoor konden
bodediensten hun actieradius voor klein vrachtvervoer iets
uitbreiden.
Volgende: Een stad vol voertuigen
bedrijfstakken: