




Vijlen
en raspen worden vooral gebruikt om metalen en houten voorwerpen
mee te bewerken, hoewel ze ook bijvoorbeeld voorkomen in de
lederbewerking en bij hoefsmeden. Deze gereedschappen zijn
langwerpig en hebben verhakkingen, inkepingen of een korrelige
oppervlakte. Ze bestaan in verschillende hardheden en vormen: hand-
of blokvijlen, platspitse, halfronde, ronde, vierkante, driekante
vijlen, cabinetvijlen, sleutelvijlen, enzovoorts, die ieder weer in
allerlei lengten voorkomen. Bovendien zijn er verschillende
manieren en fijnheden om ze te kappen, wat raspen en vijlen voor
tal van doeleinden geschikt maakt.
Het gebruik van de vijl dateert uit de steentijd, toen dergelijke gereedschappen al tot ontwikkeling kwamen. Ook in de bronstijd werden vijlen gemaakt, hoewel brons als materiaal voor het meeste werk niet hard genoeg is. Toen ijzer als materiaal op grote schaal in zwang raakte, opende dat ook voor de gereedschapsproductie nieuwe wegen. De Egyptenaren, Kelten en Romeinen gebruikten vijlen in vele vormen. In de late middeleeuwen ontwikkelde het fabricageproces van de vijl zich verder. Nadat de vijl in vorm was gesmeed, kwam er tot dan toe een beitelvormige hamer aan te pas om hem met grote regelmaat te behakken. Omdat elke slag goed moest zijn geplaatst was dit een zeer moeilijk karwei, wat vereenvoudigd werd toen men in de 15e eeuw ertoe overging om losse beitels te gebruiken, waarop met een hamer werd geslagen. Hierna werd de vijl gehard door hem bloot te stellen aan een hoge temperatuur en snel af te koelen.
Centra voor de handmatige vijlenkapperij lagen voornamelijk in Engeland (Sheffield) en Duitsland (Neurenberg, omgeving Remscheid). Zij vormden gesloten, hechte gemeenschappen, waarin een buitenstaander bijna geen toegang had. Vanuit deze gebieden kwamen ook vijlenkappers als (rondreizende) ambachtslieden naar Nederland.
Volgende: Van ambacht naar machine
bedrijfstakken: