
Toen
in het begin van de 19e eeuw de vanouds bekende Rotterdamse
loodwitmakerijen het moeilijk hadden, begon juist voor
vernisstokerijen en verffabrieken een bloeiperiode. De meeste ervan
vestigden zich vanwege stankoverlast buiten de vesten langs de
Schie of langs de Rotte. Daar waren echter al azijnmakerijen
gevestigd. Hun eigenaren waren vaak verbonden met de
loodwitmakerijen en maakten bezwaar tegen de nieuwkomers. Zij
vreesden wellicht voor de concurrentie en voor bederf van hun eigen
azijnproductie door de verf- en vernisdampen van de stokerijen.
De nieuwe verf- en vernisondernemingen kwamen vaak voort uit
gevestigde schildersbedrijven en enkele ervan, zoals Molyn en
Tollens, groeiden krachtig. Dit soort firma's had vaak een sterke
familietraditie waarin niet alleen de directie van vader op zoon
ging, maar ook veel personeel langdurig met de zaak verbonden
bleef.
De Rotterdamse verf-, lak- en vernisfabrieken gingen mee met de
chemische revolutie, innoveerden zelfs, beleefden gouden jaren
tijdens de wederopbouw na de tweede wereldoorlog, maar kwamen eind
20e eeuw door schaalvergrotingen in de branche toch in zwaar weer.
Tussen 1980 en 2000 verdwenen in korte tijd zelfs de meeste ervan
uit Rotterdam. Daarmee kwam een eind aan een lokale bedrijfstak met
een zeer lange traditie.
Volgende: Pigment
bedrijfstakken: