
Turf is zeker bij nat weer niet zo’n efficiënte brandstof, die veel as achterlaat. Men heeft nogal wat nodig om een vertrek behaaglijk te maken. Een hofje in Amsterdam verstookte er jaarlijks zo’n 45.000 stuks. De warmtevoorziening met turf zorgde voor allerlei speciale voorwerpen in huis, zoals turfbakken
, turfkachels en dergelijke. In de sociale sector werden ook zogenaamde turfpenningen verstrekt, waarmee de bewoners van zorginstellingen hun rantsoen konden krijgen. Het museum heeft hiervan verschillende Rotterdamse exemplaren.
Het verbruik van turf is een indicatie voor welvaart. In de 17e eeuw lag de hoofdelijke energieconsumptie in Holland op een zeer hoog peil, dat pas rond 1870 opnieuw werd bereikt na een daling in de 18e eeuw. Dit wijst op de grote economische vlucht van de Gouden Eeuw, die werd behaald dankzij turf als goedkope en makkelijk toegankelijke energiebron.
Er was dan ook bijna geen bedrijfstak die zonder turf werkte. De nijverheid in Rotterdam had enorm veel baat van de voordelige brandstof, waarvan grote hoeveelheden in de stad werden verbruikt. De keramische bedrijven, de brouwerijen, bakkerijen, gieterijen, glasblazerijen, distilleerderijen, ververijen, smederijen, kortom alles waar warmte voor nodig was, draaide op turf. De opgewekte energie uit wind-, mens- en dierkracht was verhoudingsgewijs veel geringer van betekenis. Hout werd ondanks alles bij sommige bedrijven nog tot in de 19e eeuw als brandstof gebruikt. De ovens van de firma Van Traa (keramiek) werden in 1843 bijvoorbeeld volop gestookt met eikenhout en berkenhout.
Volgende: Uitputting
bedrijfstakken: