Het vervoer ging via turfvaarten gemakkelijk en goedkoop met schuiten naar de Turfmarkt aan de Binnenrotte te Rotterdam. Deze markt – waar naast turf ook stro werd verhandeld – was sinds 1551 bekend en werd later verplaatst naar de Hooimarkt. In speciale manden werd de turf door beëdigde turftonsters getond en vervoerd, eventueel op de rug van de turfdrager. Dit bleef tot ver in de 19e eeuw het geval. Op een schilderij van F.L. van Gulik (1841-1899) is een groepje turftonsters te zien die zich op de Grote Markt hebben verzameld voor het beeld van Erasmus. Op turf werd door de stad een belasting geheven, waarvan de inning was verpacht. Elke lading moest worden aangegeven bij de turfpachter.
De turfwinning en -handel lijken in de 17e eeuw een versnipperde bedrijfstak te zijn geweest, waaraan naast invloedrijke en vermogende kooplieden ook vele particulieren deelnamen. Dat blijkt uit Rotterdamse akten, waarin – bijvoorbeeld – varenslieden afspraken vastlegden over droge turf, die zij per roede verkochten . Vanuit de omgeving van de stad werd veel turf naar elders vervoerd, zoals begin 17e eeuw vanuit Bergschenhoek en Zevenhuizen – waar veel turfschippers waren – naar Breda en Den Bosch. Naar Rotterdam werd ook turf uit verder gelegen streken aangevoerd, zoals zwarte turf uit Friesland voor de bierbrouwerijen.
Door de hoge grondwaterstand ontstonden in de turfveenderijen rond de stad enorme plassen, die in de 18e eeuw vaak weer werden drooggelegd en ingepolderd. In een wat later stadium werden vooral de verder gelegen hoogveengebieden van Brabant, Groningen en Drenthe voor de turfwinning benut.
Volgende: Welvaart dankzij energie
bedrijfstakken: