Rond 1900 was hoe dan ook bijna het hele bruikbare Nederlandse veen opgestookt en de ontginning en ontwikkeling van het Zuid-Limburgse kolenbekken kwam maar net op tijd. Nog eenmaal viel men hier ter stede terug op turf: toen tijdens de Eerste Wereldoorlog door gebrekkige kolenaanvoer de nood steeg nam de gemeente de turfwinning weer op. In 1917 werd een proef genomen om naast het handmatig turfsteken te beginnen met machinale winning, waarbij de opgebaggerde turf meteen werd geperst en gesneden. In 1918 werden 12,6 miljoen turven gestoken in de Bergpolder, de Polder Blijdorp en de Hoog-Oudendijkse Polder. Na de wapenstilstand kon de energiedistributie worden opgeheven en staakte de turfwinning. Voor zover bekend werd deze – inmiddels vrijwel uitgeputte – energiebron amper benut tijdens de hongerwinter van 1944-1945, hoewel toen uit nood binnen de stadsgrenzen weer op kleine schaal turf werd gestoken.
Naast de toepassing van turf als brandstof werd gedroogd, los veen sinds eind 19e eeuw op grote schaal gebruikt in de land- en tuinbouw als grondverbetering. De turfstrooiselindustrie hield tot de Tweede Wereldoorlog nauwe banden met Rotterdam, dat via de binnenwateren goed te bereiken is. De turfstrooiselindustrie van Griendtsveen had vanaf de oprichting in 1885 tot mei 1940 haar hoofdkantoor in Rotterdam, waar tevens aan de Boompjes voor de hele sector een gemeenschappelijk verkoopkantoor was.
bedrijfstakken: