Amerikaanse inheemse volkeren rookten tabak uit pijpen en deze gewoonte werd door Europese ontdekkingsreizigers en handelaren overgenomen. Het werd een rage. Rond 1580 introduceerden de Engelsen in ons land het roken van tabak uit pijpen, die van klei werden gevormd en gebakken. De toen gangbare typen hadden een kleine kop en een stevige steel. Begin zeventiende eeuw ontvluchtten vele Engelsen hun land vanwege de geloofspolitiek van James I, waardoor talloze ervaren ambachtslieden in Nederland terechtkwamen. Daaronder waren ook tabakspijpmakers, vaklieden waarvan er in ons land nog maar weinig waren. Zij namen hun mallen en merken mee om in ons land de productie op dezelfde voet voort te zetten. Door de snelle opkomst van de tabak was er bovendien een krachtige vraag naar hun producten. Ook de aanwezigheid van Engelse militairen in de Republiek vanwege de strijd tegen Spanje bevorderde de verspreiding van het tabaksgebruik. Tot circa 1640 werden op grote schaal Engelse pijpen ingevoerd. De vroegste importpijpjes in de collectie van het museum stammen van voor 1600. Vanaf 1620 voerde Amsterdam de boventoon in de productie van pijpen; een tak van huisnijverheid die tamelijk laag stond aangeschreven. Na 1630 hadden de pijpmakers steeds vaker eigen werkplaatsen, die hun productie ook buiten de eigen steden begonnen te verkopen.
Volgende: Een Engelse kolonie in Rotterdam
bedrijfstakken: