
Eind 15e eeuw verving men in Europa honing als zoetmiddel geleidelijk door suiker. Aanvankelijk was het een luxe product, dat echter een grotere afzet won naarmate de Europese handel expandeerde. De status van het product was nog lange tijd af te lezen aan de feestelijke presentatie ervan. Als grondstof werd aanvankelijk alleen rietsuiker benut, maar midden 18e eeuw werd de suikerbiet ontdekt. Dat opende de weg naar teelt dichterbij huis in gematigde streken.
De suikerraffinaderij kwam voort uit de handel in kruidenierswaren. Eind 16e eeuw kwam de suikeraanvoer goed op gang, onder andere uit de Canarische Eilanden en St. Thomé. Weldra ontpopte suiker zich tot een zeer winstgevend product, waarvoor zelfs de West-Indische Compagnie werd opgericht. Met inzet van slaven werd rietsuiker verbouwd op haar plantages in de Cariben en aan de kust van Guyana. De gekapte rietsuiker werd vaak als halffabrikaat uit de tropen aangevoerd.
De halfgeraffineerde ruwe suikerbroden werden in Nederland verder geraffineerd. In de suikerbakkerijen werd de ruwe suiker hier omgesmolten, gezuiverd, ingedikt, gekristalliseerd en bewerkt tot verschillende soorten consumptiesuiker.
Eerst werd de ruwe suiker in een stookhuis gekookt en gezuiverd, wat een moeilijk en brandgevaarlijk proces was. Het gekookte halfproduct werd in het vulhuis in kegelvormige suikerbroodvormen gegoten, die in de punt een gaatje hadden. Deze vormen werden op een pot gezet, waarin de uitlopende stroop werd opgevangen, terwijl de suiker in de kegel kristalliseerde. Dat gebeurde in een droge ruimte, de ‘droogstoof’.
In een suikerbakkerij konden wel zestigduizend van deze potten in verschillende maten in gebruik zijn. Deze werden vaak geleverd door keramiekwerkplaatsen, die zich hierin hadden gespecialiseerd. Als residu van het proces bleef stroop over, die in ons land onder het gewone volk als voedsel veel aftrek vond. De melasse vond ook zijn weg naar de distillateurs van sterke drank.
Volgende: Rotterdam
bedrijfstakken: