
Veel
onmisbare ambachten staan in de schaduw van de historische
belangstelling. Wie bijvoorbeeld iets wil weten over de
schoorsteenveger komt van een koude kermis thuis. Er is weinig
geschreven over dit bedrijf dat werd gerekend tot de
'onaangenaamste, gevaarlijkste, ongezondste en moeijelijkste' die
in de stad waren te vinden. De kleding van de schoorsteenveger was
- eenmaal afgedragen - volgens een toverlantaarnplaatje alleen nog
goed voor de vogelverschrikker.
Zijn werk is tot ieders nut, want een geveegde schoorsteen trekt
beter. Bovendien zal er veel minder makkelijk brand in ontstaan,
wat in een dichtbebouwde stedelijke omgeving een voorwaarde is om
rampen te vermijden. Stadsbesturen eisten dan ook van de inwoners
dat de schoorsteen regelmatig werd onderhouden. Het vak genoot
desondanks weinig aanzien. Het verdiende niet altijd goed en
schoorsteenvegers (of hun vrouwen) hadden er noodgedwongen vaak een
baantje bij. Zo bestierden zij bijvoorbeeld in de 17e eeuw in
Rotterdam als extraatje nog een winkeltje of een logement voor
zeelieden. In 1644 sloten vier Rotterdamse schoorsteenvegers een
overeenkomst over het onderling uitbesteden van 'nachtwerk' waarmee
het leeghalen van riolen, goten en secreten werd bedoeld. De
inkomsten werden gelijkelijk verdeeld, zodat men minder gevoelig
was voor de nukken van de markt.
Het vegen werd steeds vaker door Italianen gedaan, die letterlijk het vuile werk opknapten maar met argwaan werden bekeken. Al in de 17e eeuw figureerden zij in de zedenschets van J.H. Krul getiteld De Vryagie vanden Italiaenschen Schoorsteenveger. Het was niet voor het laatst dat de schoorsteenveger centraal stond in volkstoneel of lectuur. Twee eeuwen later domineerden Italianen kennelijk nog steeds dit ambacht en niet alleen in Rotterdam. Behalve Italianen waren ook talloze Zwitsers uit het aangrenzende Italiaanstalige kanton Ticino (Tessin) als rookverdrijver, schoorsteenveger en schoorsteenmetselaar in ons land actief.
bedrijfstakken: