Het
Rotterdamse kuipersgilde werd opgericht voor 1586 en was gewijd aan
St. Jan. In 1664 werd een gildenhuis verworven aan de
Kortewagenstraat 25, dat na een eerdere uitbreiding in 1728
ingrijpend werd verbouwd en waar zich ook de wijnverlaters
vestigden. Daarmee hadden de kuipers nauwe relaties. Een fraai
gegraveerd gildenglas van Jacob Vosmaer, hoofdman van het St.
Jansgilde in 1720, laat de kuipers aan het werk zien.



Het
gildenhuis werd in 1822 verkocht. In 1926 werd dit gebouw met een
reeks andere panden gesloopt en toen kwam de gevelsteen van de hand
van François van Douwen in het Museum Rotterdam. In het midden
ervan is een kuiperswerkplaats te zien, die wordt omringd door de
familiewapens van de kassier Hubert van Rossum en de overlieden
Hendrik de Vael, Willem Kruyswecht, Hendrik van Trooije en Arnoldus
de Vael. Een houten wandbord uit de 18e eeuw dat een kuiper toont
die aan het werk is, kwam eveneens uit dit gildenhuis, evenals een
prachtige 17e eeuwse archiefkist van het St. Jansgilde. Bovendien
heeft het museum een bijzonder aardig, houten gevelbeeldje uit de
19e eeuw van een staande kuipersjongen die aan het werk is.
Het gilde telde veel leden: in 1587 waren 128 kuipers in Rotterdam,
die echter toenemende concurrentie ondervonden van producten uit
andere steden. Rotterdam probeerde de eigen ambachtslieden te
beschermen met stedelijke maatregelen. Inkomend vaatwerk werd
belast of zelfs verboden wanneer het uit plaatsen kwam waar
Rotterdams werk ook niet was toegelaten. Als echter bleek dat
ondernemers werden gedupeerd omdat de stedelijke kuipers niet aan
de vraag voldeden, verviel dat verbod.
Het
aantal kuipers groeide met de stedelijke bedrijvigheid mee, omdat
er voor hun werk weinig alternatieven waren om goederen en
vloeistoffen te verpakken. Het kuipersgilde ging er zelfs toe over
om voorbedrukte formulieren op voorraad te hebben voor het
volbrengen van de gildenproef. Alleen naam en datum hoefden nog te
worden ingevuld.
Volgende: Na de gilden
bedrijfstakken: