

Tot ver in de 20e eeuw was de houten ton één van de meest gebruikte verpakkingsmaterialen. Het museum heeft onder meer de gebeeldhouwde bodem van een enorm wijnvat in de collectie, dat het wijnkopersgilde in augustus 1772 liet kuipen. Met een diameter van 1,62 meter dwingt dit staaltje van uitzonderlijk vakmanschap nog steeds respect af. Tonnen en vaten werden gebruikt voor het vervoer, de opslag en het rijpen van de meest uiteenlopende producten zoals wijn, jenever en bier, haring, boter en palmolie, maar ook beschuit, zuurkool, potas en tabak. Elk soort vat en ton had zijn eigen naam: er waren onder andere voeders, ankers, leggers, rumstukken, boten, okshoofden, trommels en barrels. Lange tijd was de productie van al deze zaken het exclusieve domein van het kuipersgilde. Een pasteltekening van Herman Heyenbrock geeft een goed beeld van kuiperswerkplaats, maar uit een later tijdvak, namelijk rond 1930.
Door de komst van gegalvaniseerde ijzeren vaten – en later van kunststof – verdween het houten vat in de 20e eeuw van het toneel en daarmee stierf een kwalitatief hoogwaardig ambacht in ons land snel uit. Houten vaten en tonnen worden vooral nog in wijnstreken buiten Nederland geproduceerd, waarbij het handwerk door machines wordt ondersteund.
Volgende: Het ambacht
bedrijfstakken: