






Pal
tegen de nieuwe Waalhaven werd door de gemeente in 1919 op een
opgespoten land de eerste burgerluchthaven van Europa gevestigd,
eveneens Waalhaven genoemd. Het was de bedoeling dat het vliegveld
tijdelijk zou zijn, in afwachting van een definitieve
locatie.
Waalhaven verwierf een belangrijke plaats in de vooroorlogse
Nederlandse luchtvaartgeschiedenis. De KLM vestigde er werkplaatsen
en haar fotodienst, terwijl de Rotterdamse Aëroclub en de Nationale
Luchtvaartschool er hun bakermat hadden. Zij waren maatgevend voor
de ontwikkeling van de sportvliegerij en de civiele vliegopleiding
in ons land. Toen de vliegtuigfabriek van Frits Koolhoven zich op
Waalhaven vestigde, haalde Rotterdam een concurrent voor het
Amsterdamse Fokker in huis.
In al deze luchtvaartinitiatieven had het Rotterdamse bedrijfsleven
een inbreng. De horecagrootondernemer Dirk Reese stond mede aan de
wieg van de luchtvaart in Nederland en van de KLM. De families Mees
(bankiers), Van der Leeuw (Van Nelle), Van Beuningen (SHV), Kolff
en de alomtegenwoordige bankier K.P van de Mandele speelden niet
alleen op de achtergrond een geduchte partij in de Rotterdamse
luchtvaart mee.
Het zoeken naar een betere plek voor het Rotterdamse vliegveld werd
een slepende zaak, vooral door de strijd met Amsterdam (Schiphol!)
en het Rijk, dat naar een grote centrale luchthaven in de buurt van
Den Haag streefde. Waalhaven lag ongunstig 'op Zuid', maar was tot
mei 1940 nog volop in bedrijf, zij het op dat moment vooral als
militair vliegveld. De Duitse aanval op ons land werd ingeluid door
een bombardement op Waalhaven, dat werd gevolgd door
luchtlandingen. Hoewel de Luftwaffe Waalhaven nog op kleine schaal
gebruikte, was in 1945 de rol van het vliegveld voorgoed
uitgespeeld. Een oud-medewerker van Koolhoven bouwde als
herinnering vlijtig op zijn zolder een maquette van zijn voormalige
werkomgeving, die het museum later verwierf.
Haven en scheepvaart hebben de Rotterdamse kijk op de luchtvaart
beïnvloed. De locatiekeuze voor vliegveld Waalhaven was mede
ingegeven door de hooggespannen verwachtingen van het luchtverkeer
per watervliegtuig. De luchthaven bezat ook een aanlegsteiger,
zodat er eveneens watervliegtuigen konden worden afgehandeld. De
fabriek van snijmachines Van Berkel's Patent bouwde tussen 1918 en
1920 in Rotterdam vliegtuigen naar Duits model - watervliegtuigen
wel te verstaan.
In de polder ten noorden van de stad verrees na de oorlog het
vliegveld Zestienhoven, waarin ook de haven participeerde. Het
vliegtuig bracht goederen die snel vervoerd moesten worden en vaak
een speciale logistiek vergden die complementair was voor de haven.
Daarbij waren bloemen, kranten en dergelijke; een tijdlang zelfs
nieuwe auto's. Dat Zestienhoven omstreden werd en zich in de ogen
van sommigen beter leende voor woningbouw getuigt onder meer een
maquette van een geplande woonwijk in de museumcollectie.
In Rotterdam was lange tijd het Nationaal Technisch Instituut voor
Scheepvaart en Luchtvaart gevestigd, waaruit de verbinding tussen
water en lucht eens te meer blijkt. Ook nam de KNSM (later
Nedlloyd) tussen 1972 en 1977 de luchtvaartmaatschappij Transavia
over om de terugloop in de passagiersvaart op te vangen. Ondanks
alles bracht de grote ontwikkeling van Schiphol de Rotterdamse
luchtvaart al voor de oorlog definitief op achterstand. Deze
voorsprong werd met de jaren onoverbrugbaar groot.
Volgende: Crisis en herstel
bedrijfstakken: