De haven van Rotterdam: De haven van Rotterdam

Crisis en herstel

Ontwerptekening voor wandschildering Rotterdam paviljoen, deel `Vernietiging en Opbouw´, schematisch beeld van haven met passagiersterminal HAL, rechts verwrongen staal, ingelijstHavengezicht met kraan en puinGezicht op de Leuvehaven vanaf het noordenTweede ontwerp van het Nationaal Monument voor de Koopvaardij De BoegBronzen sculptuur 'De Lastdrager', met oorkondeZware ijzeren haak of kikker op stuk meerpaalPenning van de Haven- en Scheepvaartbedrijven NV te RotterdamDe crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog brachten rampen over de haven, die in de herfst van 1944 grotendeels werd opgeblazen door Duitse vernielingsploegen. Het herstel kreeg na de bevrijding de hoogste nationale prioriteit.
In de stad verrezen in deze tijd ook vele monumenten, vaak geïnspireerd door de voorbije gebeurtenissen. Een zeer markant punt aan de Maas is 'De Boeg' van Frederico Carasso, dat aan de zware offers van de koopvaardij herinnert. In 2005 verwierf het museum een ontwerp hiervoor, samen met het Maritiem Museum en Museum Boijmans Van Beuningen. Toen voor de wederopbouw van de havens van Pakhuismeesteren in 1950 een monument werd opgericht greep men als symbool uitgerekend terug naar een uitstervend beroep: 'De Lastdrager', gemodelleerd door Han Rehm. Het werk kreeg een plaats tegen de gevel van het pakhuis 'De Eersteling' aan de Maashaven. Toen dit in 1999 werd gesloopt kwam 'de Lastdrager' aan het Parmentierplein. Het Museum Rotterdam heeft een bronzen modello van dit beeld.
De heroriëntatie van de Nederlandse economie na de oorlog bracht de petrochemie op een ongekende schaal naar Rotterdam. De aanzet was al in de 19e eeuw gegeven en de ontwikkeling was na de Eerste Wereldoorlog verder versterkt, maar na 1945 ging het erg snel. Daartoe werden ook lange transportpijpleidingen naar het achterland gelegd: een novum, dat voor het eerst op grote schaal door de geallieerden tijdens de oorlog was toegepast. De komst van de mammoettanker had tot gevolg dat de schepen vanwege hun grote diepgang steeds verder van de vooroorlogse havens moesten worden afgehandeld. Natuur en milieu vielen zonder pardon ten prooi aan de havengroei. De belangrijkste verandering in de haventechniek was voorts de introductie van de laadkist (container), waarmee in feite alle mogelijke soorten stukgoed als uniforme ladingeenheden (unit loads) kunnen worden behandeld. Dat gebeurt gaandeweg met steeds minder havenarbeiders en met steeds grotere mechanisering, automatisering, zelfs robotisering, hoewel het zware handwerk onvermijdelijk nog steeds thuishoort in de haven. Met al deze veranderingen was het noodzaak om het opleidingsniveau in de haven te verbeteren. Vooral door de inspanningen van minister van Onderwijs prof. F.J.T. Rutten werd na de oorlog met dat doel onder andere de Haven- en Vervoersschool opgericht.
Haven en scheepvaart hebben door de eeuwen heen weerslag gehad op de bevolkingsamenstelling van Rotterdam. Steeds weer was volk van buiten de stad nodig en dat kwam uit tal van landen. Bovendien zoog de expanderende stad na de opening van de Nieuwe Waterweg delen van het Hollandse, Zeeuwse en Brabantse platteland leeg. Voor de oorlog kreeg Katendrecht een exotisch tintje door Chinees scheepsvolk dat was gestrand door de crisis. Vanaf de jaren zestig kwamen weer nieuwe bevolkingsgroepen in Rotterdam wonen vanwege de haven: Spanjaarden, Italianen, Joegoslaven in de scheepsbouw en Kaapverdianen vooral als schepelingen. Deze laatste gemeenschap omvat nu zo'n 15.000 mensen.
In 1970 was er een groot tekort aan arbeidskrachten, waardoor koppelbazen hun slag sloegen. Uit Brabant en Zeeland trokken busladingen pendelaars naar de haven en de werven, die meer verdienden dan de vaste werknemers omdat voor hen geen sociale lasten werden afgedragen. Een grote staking om 75 gulden per week loonsverhoging was het gevolg: 16.000 havenarbeiders legden het werk neer.

Volgende: Verdere expansie

Verhaal Bedrijven Voorwerpen Naslag
lijst info

bedrijfstakken:

zoekterm(en):