



Er
zijn verschillende soorten havenarbeid, die allemaal te maken
hebben met het laden en lossen van schepen en alles wat daarmee
verband heeft. In stukgoedbedrijven hebben de arbeiders taken als
de ladingen samenstellen, in het ruim stuwen, in loodsen en op het
terrein opslaan enz. In het massagoed zorgen de tremmers ervoor dat
de lading wordt verdeeld in het ruim met hulp van trimmachines,
grijpers en elevatoren. Het werk was zwaar, onregelmatig, vuil, en
bijna altijd in de buitenlucht. Aan wal zijn in de haven
zeeloodsen, silobedrijven en vemen waar de knechten en arbeiders de
goederen sorteren, opslaan, merken, ompakken, afleveren, etc.
In de havens is een aantal soorten tussenpersonen actief. De lading
wordt vanuit het schip in de regel zo snel mogelijk gelost in een
zeeloods, die vlak aan de kade staat. Een transportbedrijf zorgt er
dan voor dat de lading naar een veem wordt gebracht, dat meestal
eigendom van een expediteur is. Het veem staat onder leiding van
een pakhuisbaas, die zijn knechten de ladingen opslaat tot een
klant zich aandient.
Expediteurs lieten zo goedkoop en snel mogelijk goederen vervoeren
en specialiseerden zich op voorschriftenkennis, etc. De cargadoors
(of scheepsmakelaars) zorgden - in opdracht van een
scheepvaartmaatschappij - voor het laden en lossen, het innen van
de vrachtprijs, het ontvangen en afleveren van goederen en de
expeditie daarvan. Via waterklerken onderhielden zij het contact
met de schepen. Voorts bemiddelden zij bij vervrachten, bevrachten
en de (ver)koop van schepen. Samengevat: zij zorgen ervoor dat een
lading ergens aankomt. De expediteurs en cargadoors werkten vaak in
elkaars verlengde. Konvooilopers waren belast met het in- en
uitklaren van schepen, het regelen van accijnzen, paspoorten, etc.
De stuwadoors tenslotte - al dan niet in dienst van een cargadoor -
zorgden voor het vakkundig laden en lossen van een schip. Tot begin
20e eeuw zaten zij overal verspreid in de stad in kleine
kantoortjes waar zij een vaste ploeg hadden, die werd aangevuld met
een grote reserve van losse arbeiders die hun pakhuizen afzwierven
op zoek naar werk.
Om de schepen te laden en te lossen wemelde het in de haven van het
volk. Afgezien van de toezichthouders waren er meters-wegers,
ladingschrijvers, controleurs, ophouders en dragers, slikkers
(helpers), en vooral veel bootwerkers; onderling waren grote
standsverschillen. Bootwerkers waren meestal losse werklieden die
hun spierkracht en ervaring meebrachten. Het werk was helemaal
afhankelijk van de scheepsbewegingen en daardoor erg onregelmatig.
Zij liepen dagelijks soms verschillende keren 'aan het hok'
(kantoor) om te zien of er wat te doen was. Ze werden aangenomen
door bazen, die het laad- en loswerk aannamen en ze werkten onder
'krassen'; voormannen over één ruim. Deze gaven aan welke lading in
het ruim moest worden gelost en zeevast gestuwd. Ruimbazen of
reepgasten zorgden er ook voor dat de voorbereiding van het werk
zorgvuldig gebeurde, bijvoorbeeld dat de luiken goed werden geopend
en niets in de weg stond van de hijs of de grijper. De arbeid werd
aangetekend in een boekje, waarmee op vrijdagmiddag werd
uitbetaald.
Volgende: Jargon
bedrijfstakken: