

Een beschrijving
van de Rotterdamse ondernemingen is ondenkbaar zonder een beknopte
havenhistorie. Al sinds mensenheugenis wordt over de Nieuwe Maas
gevaren, die in vrije verbinding met de Noordzee stond en doorvaart
geeft naar de Maas en de Rijn. Eind 13e eeuw werd een aanlegsteiger
aan de monding van het riviertje de Rotte getimmerd, die ten
noorden van de stad ontspringt en in de Nieuwe Maas uitmondt. Hier
ontstond een nederzetting op de plek waar in de dijk langs de Maas
een dam met uitwateringssluizen was aangelegd om het achterland
droog te houden. De steiger langs de dijk was de kern van Rotterdam
van waaruit zowel de economie als de stedelijke infrastructuur
verder ontwikkelden. In dit gebied ontstond van lieverlee wat
tegenwoordig in het centrum 'het' Steiger, de Oude Haven en de Kolk
worden genoemd. Het plaatsje leidde echter een poos een wankel
bestaan als speelbal van adellijke belangen. Een stadsrecht werd in
1299 verleend, ging weer verloren en werd in 1340 uiteindelijk
definitief.
Het lag voor de hand dat er meteen betere scheepvaartfaciliteiten
werden verordonneerd om de handel van het kersverse stadje
Rotterdam te stimuleren. Het voltooien van de Rotterdamse Schie
rond 1350 veranderde de positie van de nederzetting belangrijk:
voortaan kon een veel groter achterland makkelijker worden bereikt.
Er was echter volop concurrentie in de regio. Industriestad Delft
wilde direct toegang tot zee en ontwikkelde rond 1389 Delfshaven
met een bijbehorend verbindingskanaal - de Delfshavense Schie -
waarmee een Delftse verbinding ontstond tussen de Maas en de rest
van Holland. Schiedam, Vlaardingen en Brielle hadden hun eigen
havens, maar het was vooral het machtige Dordrecht met zijn
doorslaggevende stapelrechten, dat in de middeleeuwen de boventoon
voerde.
In de tweede helft van de 14e eeuw kwam de Oude Haven binnen de
nieuwe stadsmuren te liggen. Men kon de aanlegplaats bereiken langs
twee verdedigingstorens. In 1358 kwamen ook de latere Blaak en een
deel van de Nieuwe Haven tot stand, toen daar de zuidelijke
stadsvest werd gegraven. Op het Steiger werd in de eerste helft van
de 15e eeuw de eerste stadskraan gezet, waar de slepers
klaarstonden om vastgestelde soorten goederen te vervoeren die
verplicht via de kraan werden afgehandeld. Dit betrof onder andere
vis, vlees, olie, potas, pek en teer. In 1475 verrees een tweede
stadskraan, ditmaal aan de Kolk voor de wijnhandel. Al ruim honderd
jaar eerder was een (verplichte) weeg- en meetinrichting in de
haven gevestigd. Deze stadswaag stond aan de Botersloot, later was
hij naast het stadhuis te vinden. Zowel de stadskraan als de
stadswaag bleef eeuwenlang in gebruik.
De belangrijkste overzeese Rotterdamse handel was in de
middeleeuwen aanvankelijk georiƫnteerd op Engeland, waar vooral wol
en huiden vandaan kwamen en producten uit Holland en Duitsland
naartoe werden gebracht. Geleidelijk breidde dit netwerk zich uit
tot Frankrijk. Tot in de 16e eeuw was de haven in hoofdzaak gericht
op de visvangst, waarvan de haring het belangrijkste was. Daarnaast
werden ook veel laken en bier verscheept.
In de loop van die eeuw tekende zich echter een groeiend probleem
voor alle havensteden langs de Maas af: de riviermonding in de
Noordzee begon te verzanden, waarbij Brielle als eerste in
moeilijkheden kwam. Op den duur werd de lange route via Zeeland
voor grotere Rotterdamse schepen de enige weg naar buiten. Ook voor
concurrent Amsterdam was de Noordzee slechts via een omweg langs
Zuiderzee en Marsdiep te bereiken. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog
en de Engelse Oorlogen verschafte de ligging van Amsterdam en
Rotterdam overigens een strategische beveiliging: vijandelijke
vloten zouden zich niet snel in de Hollandse binnenwateren wagen,
zeker niet na beide - door Spanje verloren - zeeslagen op de
Zuiderzee (1573).
Volgende: Grote expansie
bedrijfstakken: