



In
1467 werd te Rotterdam het gilde van de timmerlieden,
schrijnwerkers en zagers opgericht. Lange tijd waren hierin de
huistimmerlieden en scheepstimmerlieden verenigd, maar in de loop
van de 17e eeuw moeten de laatsten zich hebben afgescheiden. Onder
de scheepstimmerlieden vormden de blokmakers een aparte groep, die
zich toelegden op de aanmaak van alle mogelijke houten
scheepsbenodigdheden. Hun belangrijkste producten waren de
katrollen, die in scheepstaal blokken worden genoemd. Voorts
vervaardigden zij (scheeps)pompen, rolpaarden voor scheepsgeschut,
marsen ('kraaiennesten'), bomen, vlaggenstokken en ander klein
rondhout. De productie van de masten was het domein van de
scheepstimmerlieden. Als meesterproef om als blokmaker te worden
toegelaten tot het gilde moest een mars met gijnblokken worden
gemaakt.
Men werd geruggensteund door een stadskeur, welke bepaalde dat
alleen zij deze producten mochten maken en dat de invoer en verkoop
van uitheems blokmakerswerk met een flinke boete werd bestraft. Zo
beschermde de stad de lokale markt.
Houten blokken bestonden in allerlei vormen. De meeste zijn uit
twee wangen opgebouwd, waartussen een of meer schijven zijn
gemonteerd, bij voorkeur van pokhout, die rond een nagel draaien.
Blokken kunnen worden voorzien van een strop of haak om hem te
bevestigen. Zelfs het kleinste schip telde al tientallen blokken,
terwijl een groot oorlogsschip er honderden had. De meeste werden
in het lopend want van een schip toegepast waar ze bij het bedienen
van de zeilen het touwwerk geleiden. Andere blokken hielpen bij het
opvangen van de krachten in het staande want, terwijl takels bij
het hijsen van lasten werden gebruikt.
De blokmakers hadden een flinke, maar conjunctuurgevoelige
afzetmarkt. Naast de twee grote werven (de Oostindische werf en 's
Lands werf waar oorlogsschepen werden gebouwd) telde Rotterdam
immers ook talloze kleinere scheepswerven. Die waren voor de
uitrusting van hun vaartuigen dus strak gebonden aan lokale
leveranciers. De blokmakers waren net als de lijndraaiers,
teerstoverijen, zeilmakers en wantslagerijen heel belangrijke
schakels in de Rotterdamse scheepsbouw, die zich vooral in de
zogenoemde Waterstad concentreerde.
Toen de zeilvaart zijn dominante positie verloor en houten blokken door metalen werden vervangen, verdween de blokmakerij na honderden jaren uit de stad. Rond 1900 waren er nog maar drie in heel Rotterdam. Door het toegenomen verkeer konden zij niet meer de rondhouten op straat schaven en weken zij ook voor dat deel van hun ambacht noodgedwongen uit naar hun werkplaatsen. In Delfshaven is in 1911 de naam Blokmakersstraat gegeven als herinnering aan deze bedrijfstak binnen de scheepsbouw.
bedrijfstakken: