Blokmaker

Kobaltblauwe tegel op wit, driemaster met gereefde zeilen varend naar rechts, achtergrond links zeilboot, hoekmotief ossenkop (inventarisnr. 1607)Gildepenning van het St. Josephs- of timmermansgilde (inventarisnr. 58184)Jufferblok, voor gebruik in de verstaging van masten van zeilschepen (inventarisnr. 47665)Houten tweeschijfsblok met buitenbeslag, een haak en een hijsoog met ring en harp (inventarisnr. 47664)Vioolblok met buitenbeslag en een hijsoog met harp (inventarisnr. 47663)In 1467 werd te Rotterdam het gilde van de timmerlieden, schrijnwerkers en zagers opgericht. Lange tijd waren hierin de huistimmerlieden en scheepstimmerlieden verenigd, maar in de loop van de 17e eeuw moeten de laatsten zich hebben afgescheiden. Onder de scheepstimmerlieden vormden de blokmakers een aparte groep, die zich toelegden op de aanmaak van alle mogelijke houten scheepsbenodigdheden. Hun belangrijkste producten waren de katrollen, die in scheepstaal blokken worden genoemd. Voorts vervaardigden zij (scheeps)pompen, rolpaarden voor scheepsgeschut, marsen ('kraaiennesten'), bomen, vlaggenstokken en ander klein rondhout. De productie van de masten was het domein van de scheepstimmerlieden. Als meesterproef om als blokmaker te worden toegelaten tot het gilde moest een mars met gijnblokken worden gemaakt.
Men werd geruggensteund door een stadskeur, welke bepaalde dat alleen zij deze producten mochten maken en dat de invoer en verkoop van uitheems blokmakerswerk met een flinke boete werd bestraft. Zo beschermde de stad de lokale markt.

Houten blokken bestonden in allerlei vormen. De meeste zijn uit twee wangen opgebouwd, waartussen een of meer schijven zijn gemonteerd, bij voorkeur van pokhout, die rond een nagel draaien. Blokken kunnen worden voorzien van een strop of haak om hem te bevestigen. Zelfs het kleinste schip telde al tientallen blokken, terwijl een groot oorlogsschip er honderden had. De meeste werden in het lopend want van een schip toegepast waar ze bij het bedienen van de zeilen het touwwerk geleiden. Andere blokken hielpen bij het opvangen van de krachten in het staande want, terwijl takels bij het hijsen van lasten werden gebruikt.
De blokmakers hadden een flinke, maar conjunctuurgevoelige afzetmarkt. Naast de twee grote werven (de Oostindische werf en 's Lands werf waar oorlogsschepen werden gebouwd) telde Rotterdam immers ook talloze kleinere scheepswerven. Die waren voor de uitrusting van hun vaartuigen dus strak gebonden aan lokale leveranciers. De blokmakers waren net als de lijndraaiers, teerstoverijen, zeilmakers en wantslagerijen heel belangrijke schakels in de Rotterdamse scheepsbouw, die zich vooral in de zogenoemde Waterstad concentreerde.

Toen de zeilvaart zijn dominante positie verloor en houten blokken door metalen werden vervangen, verdween de blokmakerij na honderden jaren uit de stad. Rond 1900 waren er nog maar drie in heel Rotterdam. Door het toegenomen verkeer konden zij niet meer de rondhouten op straat schaven en weken zij ook voor dat deel van hun ambacht noodgedwongen uit naar hun werkplaatsen. In Delfshaven is in 1911 de naam Blokmakersstraat gegeven als herinnering aan deze bedrijfstak binnen de scheepsbouw.

Verhaal Bedrijven Voorwerpen Naslag
lijst info

bedrijfstakken:

zoekterm(en):