
Binnen
de stadsmuren zorgden sommige bedrijven voor milieuproblemen en
andere risico's. Omdat er steeds vuur werd gestookt was het
brouwersbedrijf niet zonder brandgevaar. Dat merkte onder meer De
Rode Leeuw aan de Nieuwehaven in 1777.
̣
Men
nam dit op de koop toe, want de stedelijke samenleving kon niet
zonder bier. Het stadsbestuur nam soms heel concrete stappen om de
afzet te bevorderen, bijvoorbeeld door de komst van de
Court van de Engelse kooplieden te lokken met een vrijdom
op de bieraccijns waarmee duizenden guldens waren gemoeid. De stad
hief immers accijns op bier, wat een continue inkomstenbron was. In
1650 werd een nieuw Bieraccijnshuis gebouwd op de hoek van de
Torenstraat bij de Grote Kerk. Toen dat in 1903 werd gesloopt
verwierf het museum de gevelsteen.
̣
Belangrijk
voor de infrastructuur was de aanleg van de Bierhaven rond 1614.
Deze diende als ligplaats voor de bierschepen, die naar en van
Rotterdam voeren. Niet veel later werd ook de Bierstraat aangelegd,
die op de Bierhaven uitkwam. De 17e eeuwse voorspoed van de
bierhandelaren komt fraai tot uiting in een glas als 'Het Welvaaren
van de Biersteekery van Kralingen'.
Volgende: Achteruitgang
bedrijfstakken: