
Toen
gezond drinkwater in de middeleeuwen en daarna nog heel schaars
was, werd meer dan nu bier geconsumeerd. Het meeste bier bevatte
minder alcohol dan tegenwoordig en het werd zonder moeite ook aan
kinderen gegeven. Met recht kan men zeggen dat bier een volksdrank
was.
Wie bier brouwde voorzag dan ook in een levensbehoefte en bezat een
sleutelpositie in de stad. In 1468 kwam een stadskeur voor de
Rotterdamse brouwers, die al voor dat jaar hun eigen gilde hadden
opgericht wat lang niet overal gebruikelijk was. Het was de eerste
bloeitijd voor de Rotterdamse brouwerijen en in 1477 waren er
vijfentwintig in de stad. Hun aantal daalde echter, want vanwege de
Jonker Fransoorlog (1489) liep de Rotterdamse welvaart scherp
terug. De Rotterdamse brouwers kampten ook daarna met
moeilijkheden. De branderijen deden hen bijvoorbeeld concurrentie
aan, omdat zij eveneens gist verkochten aan de bakkers in de stad.
In de 17e eeuw werd de export van het Rotterdamse bier naar
Zierikzee, Geertruidenberg en Wesel belemmerd door
beschermingsmaatregelen van die stadsbesturen. Toch leefden de
Rotterdamse brouwerijen in die periode weer krachtig op, zodat er
in 1637 weer meer dan twintig grote bedrijven waren en hun aantal
steeg nog. Zij hadden met vele andere bedrijfstakken relaties,
bijvoorbeeld met de azijnmakerijen die bier kregen geleverd voor
hun eigen producten.
Volgende: Brouwen
bedrijfstakken: