











De
Griekse term 'mousikè technè' stond niet voor de eerste
techno house, maar voor alle kunsten der muzen. Daaronder viel ook
de muziek: de manier waarop we klanken maken en ordenen en alle
voortbrengselen daarvan.
In de tijd dat Rotterdam ontstond was kerkelijke muziek als genre dominant. Rondreizende speellieden waren er echter ook en bovendien namen vele mensen thuis zelf instrumenten ter hand. Zo moet het muziekleven in Rotterdam zijn begonnen: in kerk, kamer en kroeg.
Het stedelijke muziekleven was overigens ondenkbaar zonder de bemoeienis van de overheid. Wat zangers, koorkapellen en organisten in de Laurenskerk lieten horen, was indirect bepaald door het stadsbestuur, omdat het een vinger in de pap had bij de benoeming van de kerkmeesters. Het betaalde ook deels de organist (al zeker vanaf 1426), net als later bijvoorbeeld de stadstrompetters en beiaardiers. Mocht een bijscholing bij een beroemde leermeester nodig zijn, dan financierde de stad ook deze, net als later de bouw van het imponerende Goldfuss-orgel in de Grote Kerk of het Hemony-carillon in de stadhuistoren. Dergelijke prestigieuze instrumenten verhoogden de status van de stad.
In januari 1715 besloten de burgemeesters van Rotterdam om vier maanden lang elke woensdag in de Doele (toen zonder n gespeld) ook binnen de concerten te laten geven, die in het warmere seizoen vooral in de tuin plaatsvonden. Daartoe stelde de stad geld beschikbaar voor verwarming en verlichting van de zaal. Nog hetzelfde jaar trok de stad de zangmeester Philippe du Pré aan om muziekles te geven.
Het had tot 1666 geduurd voordat in Rotterdam een kamermuziekbundel van eigen bodem werd uitgegeven. Zij was geënt op Italiaanse minneliedjes en verscheen in druk omdat de uitgever Jan van Geertsom de overvloed aan christelijke muziek beu was, waarmee een mens zich niet echt kon vermaken. In de 18e eeuw nam het muziekleven een vlucht in de Maasstad, wat tot uitdrukking kwam in een toenemend aantal uitvoeringen van bekende musici, meer concertgelegenheden en dergelijke. Talrijk waren ook de vele concerten in kleine kring, waar niet de minsten speelden zoals Ludwig van Beethoven. Tegelijkertijd probeerde het stadsbestuur optredens van straatmuzikanten terug te dringen vanwege de vermeende overlast.
Rotterdam liep niet voorop met een opera - pas midden 19e eeuw kwam deze instelling met moeite van de grond, en haar voortdurend wankele financiële positie weerspiegelt de geringe mogelijkheden van de overheid voor dit soort zaken. Dat leidde als vanzelf tot het primaat van particuliere geldschieters, waardoor concertbezoek een elitaire aangelegenheid bleef ondanks dappere initiatieven om de arbeider af en toe naar binnen te lokken met speciale uitvoeringen. De oprichting in 1829 van een Rotterdamse afdeling van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst stimuleerde wel het muziekleven hier ter stede, zeker toen zij in 1854 bij haar jubileum een groots opgezet muziekfeest organiseerde. Voor het evenement werd zelfs een tijdelijke concertzaal met 4000 stoelen neergezet. Dit resultaat bezorgde het muziekleven extra belangstelling, wat hard nodig was.
De meeste musici verdienden tot in de jaren veertig van de 20e eeuw een (soms dikbelegde) boterham in het schnabbelcircuit - cafés, variétés, revues, dancings, bioscopen en feesten.
Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam in deze situatie structureel verbetering. In 1966 opende de Doelen als nieuwe, vaste thuisbasis voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest - opgericht in 1918 - en het was uitdrukkelijk de bedoeling dat de bevolking hier makkelijker over de drempel kwam. Dat de uitvoerende musici hier slechter betaald werden dan collega's in vergelijkbare Nederlandse orkesten, was daarmee nog niet opgelost.
Toch verbreedde de basis na de oorlog aanzienlijk. De Rotterdamse muziekschool - opgericht in 1844, maar eigenlijk stammend uit de middeleeuwen - groeide uit tot de grootste van het land en was meteen de omvangrijkste gemeentelijke culturele instelling. De subsidiëring van het conservatorium ging echter in 1968 over van de gemeente naar het rijk.
Volgende: De schutterij
bedrijfstakken: